[expositie] Recap lezing ‘De zwarte gemeenschap in beeld’

Recap lezing ‘De zwarte gemeenschap in beeld’

Verslag van de livestream op 9 december

14 december 2021 door Eva Zandkuijl

Lipika Bansal kondigt de sprekers Iris Kensmil, Angela Tellier en Isabella Britto aan en gaat via een live verbinding in gesprek met Paul Goodwin. Foto: Amber Hyacinth

In 1900 werd de Amerikaanse academicus William Edward Burghart Du Bois gevraagd een expositie te maken voor de wereldtentoonstelling in Parijs. Thema: Life of the Black American. Met behulp van geschriften, een indrukwekkende hoeveelheid foto’s en een uitgebreide serie datavisualisaties bracht Du Bois met zijn team van Afro-Amerikaanse studenten de veerkracht van de Zwarte gemeenschap in beeld. In samenwerking met The House of Illustration en The Black Archives toont de Illustratie Ambassade een selectie van deze beelden in W.E.B. Du Bois: Charting Black Lives. Naar aanleiding van de expositie gingen Paul Goodwin (academicus en co-curator), Isabella Britto (onderzoeker bij The Black Archives), Angela Tellier (fotograaf) en Iris Kensmil (beeldend kunstenaar) op 9 december met elkaar in gesprek over Du Bois, de rol van de visuele cultuur en het belang van herkenning en representatie.

Du Bois staat bekend als een van meest invloedrijke Afro-Amerikaanse activisten van de 20e eeuw. Hij studeerde in de Verenigde Staten en Duitsland, en met zijn thesis over de trans-atlantische slavenhandel behaalde hij als eerste Zwarte student een doctoraat aan Harvard. In zijn (lange) leven was hij actief als socioloog, historicus, schrijver en docent. Hij schreef verschillende boeken (waarvan The Souls of the Black Folks gezien wordt als het meest baanbrekende), en was medeoprichter van de NAACP (National Association for the Advancement of Colored People).

‘Maar wat hem bovenal bijzonder maakt’, zegt Goodwin, ‘is dat hij de waarde van beeld inzag. De wereldtentoonstelling laat ons zien hoe belangrijk het visuele aspect in het werk van Du Bois is’. Met zijn datavisualisaties maakte Du Bois droge statistieken voor een groter publiek toegankelijk, legt Goodwin uit. De datasets waren geschikt om iets over te brengen over de Afro-Amerikaan in en als zijn of haar gemeenschap. Du Bois zette de beelden vooral in als een educatieve tool. Daarnaast fungeerde ze als illustraties bij zijn geschriften.

Naast de visualisaties maakte Du Bois in de wereldtentoonstelling ook krachtig gebruik van fotografie, benadrukt Goodwin. ‘In die tijd zat de visuele cultuur vol met negatieve stereotypes, die daadwerkelijk werden geloofd. Du Bois zag in dat hij dat om kon draaien en in zijn voordeel kon gebruiken’. Hij lacht. ‘De beelden in de expositie toonden Afro-Amerikanen die eruit zagen als human beings in plaats van beesten. Daarnaast waren ze een bewijs van de diversiteit binnen de Zwarte gemeenschap. Du Bois was zo de eerste die liet zien dat Black Lives Matter.’

Op de beelden zien we inderdaad een verscheidenheid aan Zwarte mensen. Er zijn gezinsportretten in zondagse kleding, twee mannen voor een winkel, poserende groepjes dames en een picknick in het gras. Toch schuilt daarin ook een gevaar, vertelt Isabella Britto.

Voor de Black Archives deed ze onderzoek naar Crisis, het officiële tijdschrift van de NAACP. In de archieven bekeek ze bladzijde na bladzijde. ‘Wat me opviel was dat alle vrouwen in het blad Zwart waren, maar er wit uitzagen. White-passing noemen ze dat.’ De jaargangen die Britto bekeek waren stuk voor stuk gepubliceerd onder hoofdredactie van Du Bois. ‘Ik was geïntrigeerd door het schijnbare contrast tussen de overtuigingen van Du Bois en de afbeeldingen in het blad. Waarom plaatste hij geen donkerder getinte vrouwen?’

Een antwoord krijgt ze tijdens het lezen van het essay In Black. In deze tekst beschrijft Du Bois hoe hij werd uitgelachen door zijn (Zwarte) collega’s nadat hij voorstelde een vrouw met een donkerdere huidskleur te plaatsen. Te zwart, vonden ze. ‘Ze leken bijna doorgeslagen in hun ambitie zich te distantiëren van stereotypes,’ zegt Britto, ‘alsof Du Bois en zijn mede-activisten door een witte lens een nieuw beeld van de Afro-Amerikaan creëerde’. Tijdens haar onderzoek realiseerde ze zich eens te meer hoe belangrijk representatie is. ‘Geloof in stereotypes bestaat niet alleen in de samenleving, maar ook in onszelf. Om deze structuren te doorbreken is het belangrijk om een volledig beeld te geven van wat het betekent om Zwart te zijn. We moeten onszelf aanleren om in alle tinten schoonheid te zien’

Dat representatie belangrijks is weten ook beeldmakers Iris Kensmil en Angela Tellier. Kensmil’s oeuvre bestaat voor een groot deel uit portretten van belangrijke (politieke) figuren uit de Zwarte geschiedenis. Zo schilderde ze Martin Luther King, Marcus Garvey en leden van de Black Panther. ‘Al vroeg in mijn carrière kwam ik het werk van Du Bois tegen. Als je onderzoek doet naar de emancipatie van de Zwarte gemeenschap kun je niet om hem heen. Hij betekent veel voor me.’ In 2012 nam Kensmil deel aan een uitwisselingsprogramma met Ghana, en bezocht daar het memorial centre dat gewijd is aan Du Bois. Geïnspireerd door het bezoek maakte ze een serie zeefdrukken, waarvoor ze Afrikaanse stoffen en historische afbeeldingen van Du Bois gebruikte. Als Paul Goodwin vraagt wat Kensmil verwacht van haar publiek antwoordt ze: ‘Wanneer ik mensen portretteer lees ik me in, en ga ik op zoek naar een connectie. Ik hoop dat mensen die verbinding voelen als ze naar mijn werk kijken. Dat ze zichzelf vragen stellen. Wie is deze persoon? Wat doet hij hier? Ik schilder slechts Zwarte mensen, omdat ik me met hen verwant voel. Ik wil mijn toeschouwers graag onze levens tonen.’

Ook de serie ‘Afropolitans’ van fotograaf Angela Tellier komt voort uit persoonlijke ervaring. Als startende fotograaf wilde ze niets liever dan de wereld om haar heen vastleggen. Eenmaal op de academie ontdekte ze echter dat haar wereld er heel anders uitzag dan die van haar klasgenoten. ‘“Waarom fotografeer je zoveel maar zwarte mensen?”, vroegen ze me dan. Ik was verbaasd over de vraag. Ik heb een Nederlandse vader en een Nigeriaanse moeder. Mijn fotografie was niet meer dan een afspiegeling van mijn omgeving, mijn modellen waren mensen waarin ik mezelf herkende.’

Moe van het gevoel zich telkens te moeten verdedigen, stuitte Tellier tijdens het onderzoek voor het dissertatie op de term ‘Afropolitan’. Deze samentrekking van de woorden African en cosmopolitan werd in 2005 geïntroduceerd door schrijver Taiye Selasi. Brendah Nyakudya, in 2012 redacteur van Afropolitan Magazine, beschrijft een Afropolitan als ‘geworteld in Afrika, maar opgegroeid in de wereld’. Creatievelingen en global citizens, legt Tellier uit, die zichtbaar trots zijn op hun roots.

Zich identificerend met de term ging Tellier op zoek naar beeld. Hoe ziet een Afropolitan eruit? Ze googelde zich suf, maar vond niet meer dan merchandise. Tellier besloot daarop het heft in eigen hand te nemen. Op straat sprak ze voorbijgangers aan. Met de mensen die zeiden zich te kunnen identificeren met de term sprak ze Tellier af op een plek waar zij, haar modellen, zich thuis voelden. Daar legde ze hen in een polaroid vast. Ook Tellier spreekt over de white gaze. ‘Zwarte mensen worden zo vaak nog geportretteerd door een verstoorde, witte lens. Dat is problematisch en onveilig, omdat het afwijkt van de werkelijkheid. In de hoop deze tendens te doorbreken vroeg ik mijn modellen om instructies tijdens het fotograferen. Het werk moest geen bewijs worden van hoe ikhen zag, maar van hoe zij gezienwilde worden.’

Net als Kensmil, zegt Tellier dat ze zocht naar verbinding. Ze vertelt dat ze haar modellen niet slechts als fotograaf maar ook als medemens tegemoet wilde treden, en over het willen creëren van een safe space. Ze lijkt daarin geslaagd. In Afropolitans stralen de geportretteerden een ontspannen vertrouwdheid uit. De polaroid als medium draagt bij aan een sterk gevoel van intimiteit, het geheel is ontroerend.

‘Waarom is zo’n safe space voor de Zwarte gemeenschapbelangrijk denk je?’, vraagt Paul. ‘Omdat er al zoveel witte ruimtes zijn’, antwoordt ze. ‘Maar als ik naar de afgelopen jaren kijk ben ik hoopvol. Er worden steeds meer Zwarte verhalen belicht. Er is meer waardering voor de cultuur, steeds meer ruimte voor de gedeelde Zwarte ervaring. Meer trots. Misschien kunnen we ooit, als we ons niet meer steeds hoeven te verdedigen, weer uit onze veilige ruimte treden’. Ook Kensmil vertelt te (willen) geloven in een toekomst zonder racisme.

Als Goodwin vraagt om afsluitende woorden zegt Britto:  ‘Ondanks mijn kritische kanttekening vind ik het fantastisch dat we door Du Bois inzicht hebben in het leven van de Zwarte gemeenschap in 1900. Zijn visie was bewonderenswaardig.’ ‘Net als Du Bois denk ik dat fotografie een belangrijke rol speelt in het conserveren van geschiedenis,’ vult Tellier aan. ‘Er zijn zoveel verhalen te vertellen. Alleen door die in beeld te brengen kunnen we straks waarachtig terugkijken op onze geschiedenis.’